De vrome Anna trouwt begin jaren vijftig met de negen jaar oudere Jozef, een charmante kapper uit Maastricht. Pas wanneer ze daadwerkelijk samen een gezin stichten ontdekt Anna zijn ware aard. Ze beschermt haar drie kinderen door dik en dun en zoekt ten einde raad steun en troost bij kapelaan Franssen, een priester van de parochiekerk. Wanneer ze op een dag ontdekt zwanger te zijn van een vierde kind slaat de paniek toe. Alles in haar komt in opstand tot het moment dat ze denkt te weten wie de werkelijke vader is. Vanuit de baarmoeder volgt de ongeboren vrucht op een geheel eigen wijze het wel en wee van Anna’s doen en laten. Wanneer Jozef van haar zwangerschap hoort neemt hij zich voor, zoals het een goed katholiek betaamt, om voor dit vierde kind een prijzenswaardige vader te zijn. Eva, door hem consequent ‘mijn meisje’ genoemd, wordt een obsessie en zijn ongekende jaloezie drijft hem tot wanhoop.